Armoede: een poging tot definiëren
In de politieke en wetenschappelijke discussie en in de publicistische en mediale openbaarheid bestaat er een periodieke conjunctuur van het thema “armoede”. Hierbij wisselen zich fasen van openbare thematisering af met fasen van taboes maken en bagatelliseren. Het debat rondom armoede maakt niet zelden deel uit van een politieke propaganda. Armoede wordt als maatschappelijk probleem weer gegeven of als lot van een enkeling gedeclasseerd: De politieke debatten vertonen in alle fasen hysterie, het zoeken naar schuldigen en deels een uiterst cynische omgang met het thema. Het is een feit dat momenteel in de EU ongeveer 85 miljoen mensen, overeenstemmend met 17% van de bevolking, onder de armoedegrens leven.
De sociale geschiedenis van armoede toont ons dat het afhankelijkheden bestaan met het betreffende welstandsniveau, met bezit-, inkomens- en vermogensomstandigheden, met de economische ontwikkeling, met de vraag van de arbeidsmarkt en met waarden en normen. Het begrip “armoede” kan niet duidelijk worden gedefinieerd. Vanuit een economisch zichtpunt is armoede een gebrekkige voorziening van materiële goederen en diensten. Er wordt onderscheiden tussen een absolute armoede, die het fysieke bestaan bedreigd en een relatieve armoede die normaliter laat definiëren met betrekking tot het gemiddelde inkomen. In de Europese maatschappijen ligt het gemiddelde welstandsniveau doorgaans boven het fysieke bestaansminimum. Daarom wordt een relatief begrip voor armoede gebruikt. Armoede is een op een gemiddelde levenstandaard betrokken benadeling. Daarom werd door de EU-lidstaten de definitie van een “Risicocijfer voor armoede” overeengekomen. Deze beschrijft het aandeel van personen in huisgezinnen waarvan het geschatte netto equivalente beschikbare inkomen” lager is dan 60% van het gemiddelde (mediaal) van alle personen van een land. Alle definities van armoede hebben één gemeenschappelijke factor, het gaat om een ongelijke verdeling van levens- en verwezenlijkingskansen wat betreft wonen, opleiding, arbeid, inkomen en de voorziening met technische en sociale infrastructuur. Het fenomeen “armoede” is structureel niet nieuw, ook als bepaald verschijningsvormen de eerste keer optreden. Met de armoedevraag of de ongelijkheidsvraag worden de basisverlangens van de sociale politiek, de sociale staat en de sociale zekerheid aangesproken.









